Voordat je begint met de pastamachine is het belangrijk om je werkplek en deeg goed voor te bereiden. Gebruik een licht bevochtigde maar niet plakkerige deegbal; een klassieke verhouding van bloem en eieren of water werkt meestal goed. Kneed het deeg eerst met de hand (of in een losse kneedmachine) tot het soepel is en laat het even rusten, zodat het gluten-netwerk zich ontwikkelt. Dit vermindert de kans op scheuren en plakken tijdens het uitrollen.
Bij het gebruik: stel eerst de wals op de dikste stand en voer het deeg een paar keer door om het te egaliseren. Verlaag de stand geleidelijk naar de gewenste dikte in stappen—het is zelden succesvol om in één keer naar een zeer dun niveau te gaan. Strooi licht bloem op het deeg en op de walsen om kleven te voorkomen, maar overdrijf niet; te veel bloem maakt de pasta droog en kan textuurverlies veroorzaken. Voor natte deegsoorten werk je in kortere sessies en strooi je tussen de doorgangen om ophoping te voorkomen.
Bevestig de klem stevig aan een vlak, niet te dik werkblad. Controleer vooraf of de klem past op je bladdikte; sommige apparaten hebben moeite met zeer dikke of oneffen randen. Terwijl je draait, houd je een gelijkmatige spanning op de zwengel en zorg je dat de walsen vrij blijven draaien. Wissel tussen de snijwalsen zodra het vel de juiste dikte heeft en snijd met korte, gecontroleerde bewegingen.
Ten slotte: reinig direct na gebruik met een droge borstel en een lichtvochtige doek. Vermijd water in de mechaniek en bewaar de machine op een droge plaats. Als je vaak pasta wilt maken, overweeg extra opzetstukken of een losse motoradapter (indien compatibel) om vermoeidheid te verminderen. Voor starters is het apparaat ideaal, maar wie grote hoeveelheden produceert, kan aanvullende hulpmiddelen overwegen.